Even terug naar mijn jaren zeventig

Wie in de weekend bijlage van De Telegraaf wel eens de column van mijn oud collega Fons van Westerloo leest, zal het opvallen dat hij regelmatig teruggrijpt op zijn werk bij de toenmalige actualiteitenrubriek AVRO’s  Televizier. Dat teruggrijpen doe ik nu ook eens – al heette mijn afdeling AVRO’s Sportpanorama – omdat dingen van toen ineens heel actueel zijn geworden. Daarom denk ik vaak terug aan mijn werkzame jaren ’70.

De AVRO had mij aangetrokken om o.a. een aantal exclusieve documentaires te maken over de sport in de toen nog moeilijk toegankelijke landen achter het “ijzeren gordijn”, zoals de DDR (Oost- Duitsland), de Sovjet Unie, China en ook Cuba.  Sport was in die landen een soort uithangbord geworden. Sportsuccessen moesten het gunstige effect van het communistische systeem in die landen bewijzen. En eerlijk is eerlijk, de resultaten van met name de DDR kwamen geweldig over. Alvorens daarvoor toestemming te krijgen, moest wel behoorlijk wat wantrouwen worden overwonnen. Na eerst een documentaire gemaakt te hebben over de politiek ongevaarlijke communistische tegenhanger van de Tour de France, de wielerkoers Warschau – Berlijn - Praag, (ooit  gewonnen door Piet Damen) kwam de toestemming af.

In de jaren ’76 en ’77  reisde ik met grote regelmaat naar de DDR om te filmen en verbleef daar dan ook bij elkaar genomen vele weken. Ik leerde daar heel wat autoriteiten kennen. Vooral de bar van het Oost-Berlijnse hotel Berolina was een trefpunt van staatssecretarissen en andere min of meer onduidelijke partijfunctionarissen uit zowel oost als west. Als sportverslaggever zag men mij als politiek ongevaarlijk en daarom werd er met mij vrijuit over de politieke verschillen tussen oost en west gesproken. Men probeerde mij te overtuigen van de zegeningen van het communisme en de noodzaak van de Berlijnse muur. Men gaf wel toe dat men hiermee jonge inwoners, waar de staat in had geïnvesteerd, in eigen land wilde houden. Zij moesten immers meehelpen het land op te bouwen.

En het belang van het westen was - zo stelde men - dat het weghalen van het ijzeren gordijn een vlucht teweeg zou brengen van miljoenen Oost-Europese bewoners en dat die vlucht de westerse economie zou ontregelen. Ik herinner me goed dat mijn vaste DDR-Betreuer Wolfgang eens zei: “Nu zie je dat je voor ons niet bang hoeft te zijn. Wij communistische landen hebben geen agressieve bedoelingen. Als we kwaad willen, zetten we gewoon de grenzen open en dan hebben jullie echt een probleem”.
Een paar jaar later leerde ik via het volleybal Juri Chesnokov kennen. Juri was coach van de Russische legerploeg CSKA en van de nationale ploeg. Al tien jaar was hij met zijn team Europees kampioen. In het leger was zijn rang die van kolonel. Dankzij zijn successen mocht hij zich wat veroorloven. Mede door een verblijf in Amstelveen, vanwege de door  Delta Lloyd/AMVJ georganiseerde finale om de Europacup in de aloude Bankrashal (1976), bouwden we een goede relatie op. Voor die finale had de internationale volleybalbond een Oost-Duitser als jurylid aangewezen: Peter Lange, lid van het Oost-Duitse politbureau en bestuurslid van de Internationale volleybalbond, communist in hard en nieren, maar zeker niet onsympathiek. In het volleybal genoot hij groot aanzien vanwege zijn volstrekte integriteit.  Om het compleet te maken: in het team van Chesnokov speelde Vladimir Kondra, een geweldige verdediger, maar – zo werd ons ingefluisterd – ook een talentvolle werknemer van de KGB. Dat kwam ons niet vreemd voor, omdat de Russen met iedere sportploeg naar het buitenland altijd een KGB-er in de begeleidingsstaf meestuurden. Nu zat hij in de ploeg, omdat hij zo geweldig kon volleyballen. Maar populair was hij niet bij zijn ploeggenoten.
Bij de nachtelijke sessies aan de bar was het onvermijdelijk dat over politiek werd gesproken. En zo kwam Chesnokov eens met het verhaal, dat ik al eerder in Oost Duitsland had gehoord. We hoefden niet bang te zijn voor het Rode Leger, want hun tactiek was er op gebaseerd om altijd aan weerszijden van de grenzen eigen mensen te hebben als mogelijke basis of bruggenhoofd. Dat was gemakkelijk uit te voeren in de toenmalige Sovjet Unie, waarin alle opgenomen (zo u wilt bezette landen) onder controle stonden van Moskou. Vandaar dus dat er in de Baltische staten, in Georgië, Armenië. Oekraïne en Wit Rusland, om er een paar te noemen, zoveel (ex-) Russen wonen. Veel van die mensen zouden maar wat graag terug willen naar die oude zekerheden en dat wordt nu door Poetin c.s. handig benut. Toch merkwaardig dat wat je zo’n 40 jaar geleden schouderophalend  aanhoorde, nu op vele fronten speelt.