Dit gaat over mij

Toen wij als bbA deze website begonnen kwam naar ik meen Jitze Bakker op het idee dat het voor de variatie wel leuk zou zijn als ik, als voormalig journalist met een onafhankelijke mening, met enige regelmaat een column zou schrijven. Ik vond dat ook niet gek, temeer omdat ik over Amstelveen wel wat te vertellen heb. Daarbij spraken we af dat ik, weliswaar overtuigd lid van bbA, in de rol van onafhankelijke toeschouwer mocht schrijven wat ik wilde, ook al zouden onze partijleden het er niet mee eens zijn. Dat is zo gebleven, al moest ik soms wel eens uitleggen hoe vrije journalistiek in elkaar zit en welke ruimte een columnist nodig heeft om te kunnen opereren. Van die vrijheid en van die afspraak ga ik nu maximaal gebruik maken, door een column over mezelf te schrijven.

Vanaf het begin van mijn werkzame leven werd ik, waar ik ook werkte, al snel in een soort chef- functie gemanoeuvreerd. Niet omdat ik zo goed was, maar omdat toevallige gebeurtenissen daartoe leidden. Als u denkt: bij gebrek aan gewicht, dan word ik daar niet boos om.

De Tijd

Bij het toenmalige dagblad De Tijd keek men mijn kant op toen de chef sport Maarten de Vos vertelde, dat hij geen zin meer had in de organisatorische kant van het chef zijn en alleen nog maar wilde schrijven. Daar kreeg ik te maken met grote en kleine vedetten zoals Maarten zelf, maar ook met Kees Jansma, Mart Smeets, toen nog een talentvol, maar zeer ambitieus basketbalmedewerker, Eddy Poelmann, Bert Nederlof en Harry Vermeegen en nog iemand , die ik noem omdat hij in de Amstelveense hockeywereld bekend was als Berry Bertels. Stuk voor stuk grote, maar grillige talenten, die vonden dat hun artikel heilig was en de beste plaats in de krant verdiende en dan wel onverkort.
Van de spanningen die dat gaf heb ik best wel eens slapeloze nachten gehad. Ik kon ze er soms wel uitschoppen, maar tegelijkertijd wist ik dat zij de mensen waren die kwaliteit aan de krant gaven en er voor zorgden dat de sportredactie van De Tijd toen werd gezien als de beste van Nederland. Als leider van een groep kan je maar één doel hebben: het beste product afleveren. Dat gebeurde, al heeft dat de ondergang van de krant in 1974 niet kunnen verhinderen.

AVRO

Bij AVRO’s Sportpanorama kwam ik terecht tussen Ruud ter Weyden, Wim Jesse en eindredacteur Bob Bremer. Ik moest een nieuwe vorm van journalistiek leren, de beeldjournalistiek. Dat is me redelijk gelukt, gezien de internationaal bekroonde sportdocumentaires die ik voor de AVRO heb mogen maken. Na een aantal jaren ging Ter Weyden naar Studio Sport, Wim Jesse, ook Amstelvener, naar de KNVB en Bob Bremer naar de TROS. Er werd weer mijn kant op gekeken toen de vraag werd gesteld: wie wordt nu de eindredacteur ? Ook daar kreeg ik te maken met bijzondere talenten zoals verslaggever Jos Kuijer en de extreem getalenteerde regisseur Henny Budie. Alles waarmee je kon gooien vloog met enige regelmaat door de redactieruimte als de emoties tijdens de discussies opliepen, eigenlijk net zoals bij De Tijd. Nadat Budie daarin weer eens te ver was gegaan, zei ik tegen AVRO-directeur Siebe van der Zee: “Ik word hartstikke gek van die Budie”.

Van der Zee riep ons op zijn kamer en ging uitvoerig betogen hoe belangrijk onze programma’s voor de AVRO waren en hij prees ons beiden de hemel in. Hij zei er bij dat hij door het plafond ook het donderen op de redactie wel eens had gehoord, maar dat we de AVRO verder konden brengen als wij tweeën eens een dag bij elkaar zouden gaan zitten om het antwoord te zoeken op de vraag hoe we de rubriek nog beter konden maken. “Morgen is het mooi weer en ga lekker een middag en avond op een leuk terras zitten. Dan hoor ik het wel”.
De volgende dag op het terras van het toen nog bestaande Bosbaan-restaurant zei Budie: “Ik was gisteren totaal in verwarring. Ik dacht dat ik ontslagen zou worden, maar het tegengestelde gebeurde”.

Ik heb Budie toen uitgelegd dat zijn programma’s ook het aanzien van de redactie en het bedrijf versterkten, dus dat ik wel gek zou zijn om zo iemand weg te sturen. Bovendien wist ik dat die waardering ook op mij als eindredacteur afstraalde. Budie kreeg meer begrip voor de mindere goden op de afdeling en de verhouding tussen hem en mij werd beter dan ooit. Helaas heeft dat niet lang mogen duren. Ik ging naar Nationale-Nederlanden en hij naar de NOS, waar hij een jaar later als TV – regisseur een door mij gesponsorde volleybalinterland Nederland-Canada op het scherm bracht. Na afloop zei hij: “Ik voel me niet goed. Ik ga even langs de Eerste Hulp van de VU. Ik zie je straks”. Maar ze hebben hem daar meteen gehouden. Korte tijd later overleed hij.
Nationale-Nederlanden

Bij Nationale-Nederlanden was mijn positie iets gemakkelijker, omdat ik was aangetrokken om een sponsor- en evenementenafdeling op te zetten. Ik was dus automatisch de leider. Toch kreeg ik daar ook met iemand te maken die totaal niet paste in de U- en Meneercultuur van het concern. Laat ik het erop houden dat het spanningen en klachten gaf, die ik dan moest uitpraten met de betreffende medewerker. Die reageerde soms kortaangebonden met: “Dan moet je me ontslaan”. Maar ook bij hem zag ik kwaliteiten en ik vond dat zijn ongepolijste gedrag het bedrijf lekker opschudde. Nationale-Nederlanden moest maar eens wat dichter bij de gewone wereld komen. Zo is het ook ervaren en uiteindelijk heeft hij, dankzij zijn talenkennis, er aan bijgedragen dat aan onze afdeling vanuit de hele wereld advies werd gevraagd over sponsoring en evenementen.

De moraal van dit verhaal is dat je als leider pas echt goed bent als je niet bang bent voor sterke krachten om je heen. Mijn ervaring is dat ze je beter maken en je meer gezag geven. Het was wel eens moeilijk, maar ik ben er aan het einde van mijn carrière riant voor beloond.
Tegen de lezer zeg ik: “Misschien trekt u een vergelijking met recente gebeurtenissen. Welnu dat is dan puur toeval. Geen seconde aan gedacht”.

Amstelveen, Amstelveen, 30 mei 2018 Frits Suer