Het was op een zaterdagmiddag. De fractie en het bestuur van bbA hadden in ‘De Bolder’ gediscussieerd over het verkiezingsprogramma 2022. Daarna nog wat nagepraat bij voorzitter Peter Bot. Het zal tegen half zeven zijn geweest dat ik naar huis liep langs de vuilcontainers voor ons flatgebouw. Plotseling stopte een auto voor de containers; een man stapte uit met een zak en keek waar hij die kwijt kon. Hij had duidelijk geen pasje. Nu had ik ‘s morgens al twee zakken, die iemand zomaar had achtergelaten, in de container gegooid en dat vond ik wel mooi genoeg. Dus sprak ik de man aan en vroeg of hij in zijn eigen straat geen vuilcontainers had. En zo ja, waarom hij de zak daar niet weggooide.

De man voelde zich kennelijk betrapt, kwam naar me toe en zei: “Heb je echt niets anders te doen. Goh, wat ben jij een zielig mannetje, dat je je daar mee bezig houdt.” Ik reageerde met: “Dan is het nog altijd U en geen jij tegen mij.”

“Niks U, want zo’n zielig mannetje spreek ik met jij aan. Ga eens wat nuttigs doen.”

Ik: “Nou, ik vind het best nuttig om u er op te wijzen dat ik hier woon en dat ik en mijn medebewoners het niet prettig vinden als vreemden zo maar hun vuilniszakken bij ons voor de deur neergooien.” Het is een probleem waar we last van ondervinden, want de containers staan aan de rijweg en met enige regelmaat stopt er een auto en gooit iemand de zak naast de container. Veel Amstelveners hebben dezelfde ervaring.


De man, nu iets minder agressief: “Dat jij hier tijd voor hebt. Weet je wat? Ga eens wat vrijwilligerswerk doen. Dan maak je je nuttig.” Ik vond niet dat ik aan de man verantwoording moest afleggen over mijn vrijwilligerswerk en dacht laat maar. Ik maakte aanstalten om de flat in te gaan, totdat de man ineens riep: “Ik heb helemaal geen afval, dit is een zak met kleding. Ik moet hier dus helemaal niet zijn, maar aan de andere kant.” Hij stapte in en reed hard weg.


Op reportage
Ik heb zoiets al eens heel lang geleden aan de hand gehad. Ik was toen nog verslaggever bij het in die jaren nog bestaande dagblad De Tijd. Het zal in 1971 of 1972 zijn geweest. Ik moest een reportage over rugby maken en wilde het sportpark ‘De Eendracht’ oprijden. Twee agenten hielden me tegen. Ik moest ergens anders parkeren. Ik had al gezien dat dat een eind lopen was en vertelde de agenten dat ik een verhaal moest schrijven over rugby en gehouden was aan een deadline. Parkeren dicht bij de tribune zou me na afloop zeker een half uur winst opleveren. “Voor de pers is er bij de tribune wel een parkeerplaats”, probeerde ik nog. Totdat zich een man in burgerkleding bij ons voegde. Hij ging flink tegen me tekeer. Ik moest wegwezen etc. Toen kwam de aap uit de mouw: Die man in burger vertelde dat hij ook politieagent was en hier op zijn vrije dag een praatje maakte met zijn collega’s en hij verweet me dat ik zijn vrije dag verziekte.

Ik ben toen maar weggegaan. Twee dagen later beschreef ik het voorval in een brief aan de hoofdcommissaris van Amsterdam. Ik vond het raar dat een agent op zijn vrije dag zich zo onnodig druk maakte. Zijn geüniformeerde collega’s konden het wel alleen af. Daarom meldde ik de hoofdcommissaris dat de man een overspannen indruk op me maakte en eindigde mijn brief met het advies om hem een paar weken met vakantie te sturen.


Wat maakt ons zo opgefokt?

Voordat hij in 1986 overstapte naar het bedrijfsleven was Frits Suer 25 jaar sportjournalist met een onafhankelijke mening. Ook in zijn nieuwe functies in o.a. de sport en het bedrijfsleven bleef hij een onafhankelijke geest e dat is ook als bestuurslid van bbA zo gebleven. Die onafhankelijkheid betekent dat zijn mening in zijn columns niet altijd de mening hoeft te zijn van de bbA – fractie.