Het zal een jaar of tien geleden zijn geweest. Na een vergadering met de bewoners van Groenhof stonden we buiten voor de deur van De Bolder nog wat na te praten. Er kwam een dame op ons af, met naast haar een bejaarde Japanse man. Hij leek in de war. De dame vroeg ons of we wisten waar deze wat verloren ogende man woonde. “Zelf weet hij het niet, en hij loopt hier maar rond”, aldus de vrouw.
Ja wat doe je dan? Ons hele gezelschap voelde zich ongemakkelijk. Wat te doen? De politie maar bellen. En dat gebeurde. Wij, de dame en de bejaarde Japanner hoefden niet lang te wachten. Na een minuut of vijf arriveerde de politie. Er stapten twee agenten uit. In mijn ogen een jong meisje en een jongen in uniform. Enige scepsis kwam over ons. Moesten wij, volwassenen, de oplossing aan deze “kinderen” overlaten? Maar liefdevol sloegen jongen en meisje in uniform hun arm om de man heen. De man, die alleen maar Japans sprak liet zich naar de auto voeren. Zo vertederend. Het ontroerde ons. Het politiestel zei ons dat ze door de buurt gingen rijden om te zien of hij ergens vermist werd. Tien minuten later kwamen de agenten terug. “Wij zagen op de Kringloop mensen lopen en die bleken hun vader te zoeken. Hij liep wel eens vaker weg.”


Half november

Half november gebeurde er iets in ons flatgebouw, waardoor ik aan dit voorval moest denken. Van een bevriend stel uit ons gebouw was partner B. zwaar ziek in het AMC opgenomen. Partner A. bezocht hem dagelijks. Totdat hij op een donderdag niet kwam opdagen. Partner B. sloeg alarm, en de leiding van het ziekenhuis schakelde de politie in. Die donderdagavond werd er om tien over zeven bij mij luid en lang gebeld. De politie, in de vorm van een jongedame en een stevige heer: “Meneer, wij weten dat U de sleutel heeft van nummer zoveel en willen daar even gaan kijken. Mogen wij die sleutel?” Het overviel me, maar mijn vrouw riep meteen: “Ja die hebben we. Ik loop wel even mee.” De agent: “Nee, dat is niet de bedoeling. Als we klaar zijn komen we bij u terug en dan kunnen we meer vertellen.”
Dan denk je: die zijn zo terug. Maar we wachtten een uur, twee uur, drie uur, en hadden intussen wel het aantal politieauto’s voor de deur zien verviervoudigen. Tegen elven meldden twee andere agenten zich bij ons. Weer een dame en een heer. “We hebben verdrietig nieuws. Meneer A. is overleden. Maar heel vredig. Hij zit nog op de bank en had zijn koffie net op. Waarschijnlijk woensdagavond al. Wij hebben met het ziekenhuis overlegd en wij mogen B. nu ophalen. Het lijkt ons verstandig dat hij even acclimatiseert en daarom is de vraag of hij eerst even bij jullie kan bijkomen en dat we daarna naar beneden, naar zijn flat gaan.


De trieste werkelijkheid

Een half uurtje later kwamen de agenten terug met B. en begeleidden hem naar onze zitbank. Daar drong de trieste werkelijkheid tot hem door. Hij is bijna blind, kan zonder hulp heel weinig, zeker geen boodschappen doen en eten klaar maken. B. realiseerde zich dat zijn steun en toeverlaat was weggevallen en dat een onafhankelijk leven voor hem niet meer mogelijk was. “Ik wil ook dood”, was het enige wat hij zei. Na een half uur, toen ook de dienstdoende arts was gearriveerd, gingen we in een soort optocht naar beneden en zagen de overleden A. in alle rust op de bank dood te zitten zijn.
Naast het stel woont een jonge verpleegkundige en die had meteen in de gaten dat het mis was. Zij werd daarna een waardevolle kracht in het verdere proces. Partner B. liet weten dat hij niet bij het lijk in huis wilde blijven. Een paar uur later kwam de uitvaartonderneming het lichaam al halen. Maar het was iedereen duidelijk dat B. niet alleen in de woning kon worden achtergelaten. Maar er was nergens anders plaats. Voor B. maakte dat niet zo veel uit. Hij wilde maar één ding: zijn partner achterna.
Mijn vrouw, de buurvrouw-verpleegkundige en een nichtje bezwoeren hem in de daarop volgende dagen om op zijn minst de uitvaart van zijn partner nog mee te maken. Uiteindelijk beloofde hij aan het nichtje (samen met haar man tevens executeur testamentair) te wachten tot na de uitvaart van zijn partner.

Telefoon

Zondagavond om een uur of twaalf ging de telefoon. Het nichtje belde (zij woont zelf niet in Amstelveen) met het dringende verzoek naar beneden te gaan om de jonge buurvouw te helpen. B. wilde zijn leven beëindigen en had een poging gedaan over het balkonhek te klimmen. Dat lukte niet. Te verzwakt. Maar wel slaagde hij erin om bij zijn buurvrouw aan te bellen en te vragen of zij hem wilde helpen bij zijn sprong naar de eeuwigheid. Nee dus. Zij belde het nichtje in Hoofddorp en de politie, die inderdaad al enkele minuten later boven was. Het nichtje belde ons met de vraag of wij naar beneden wilden gaan om de buurvrouw te helpen. Dat deden we.
Even later zat ik met de agenten aan tafel om te praten over een oplossing en de vrouwen gingen naar B. om hem tot rust te brengen. De agenten belden in het rond voor hulp. Zelfs de crisisdienst in Haarlem werd gebeld en die stuurde een psychiater. Die maakte bij iedereen weinig indruk, maar gaf wel een slaappil. Tot ergernis van beide agenten vond hij de situatie niet ernstig genoeg om B. op te laten nemen. De agente ging door met bellen, maar kwam niet veel verder. Haar mannelijke collega ging met de hand maar zijn verslag schrijven in een notitieboekje.


Half liggend

Daarna kwam het ontroerendste moment. De agenten gingen naar de slaapkamer waar B. lag te roepen dat hij dood wilde. De man boog zich over B. heen, de agente ging op de grond zitten, zodat zij half liggend op gelijke hoogte met hem kon praten. (Zie je het voor je……?)
Twee dagen later kon B. in het Zonnehuis terecht en dat bevalt hem goed. Hij toonde zich tevreden met de verzorging en ging weer iets eten. Ook was hij blij dat hij de crematie op Zorgvlied had meegemaakt. Maar hij wil nog steeds zijn partner achterna.
Voor mijzelf zie ik, na het verdriet, nog steeds het beeld van die agenten voor me; die prima “sociale werkers”, die wel thuis gaven. Veel meer dan ze verplicht waren. Daarom mijn oproep tot iedereen: Laten we zuinig zijn op zo’n politie. HEEL ZUINIG………..!

Voordat hij in 1986 overstapte naar het bedrijfsleven was Frits Suer 25 jaar sportjournalist met een onafhankelijke mening. Ook in zijn nieuwe functies in o.a. de sport en het bedrijfsleven bleef hij een onafhankelijke geest e dat is ook als bestuurslid van bbA zo gebleven. Die onafhankelijkheid betekent dat zijn mening in zijn columns niet altijd de mening hoeft te zijn van de bbA – fractie.